RSI aanpak begint bij de mens
Aanpak RSI-klachten begint bij de mens De aanpak van RSI begint bij de mens zelf. De klachten komen namelijk voort uit het werkgedrag van de patiënt. Om ze succesvol te behandelen, moet de oorzaak weggenomen worden. Dat betekent dat de patiënt zijn gedrag zal moeten aanpassen.
Mismatch
RSI-klachten worden veroorzaakt door een slechte match tussen mens, middelen en taken. De manier waarop iemand omspringt met zijn taken en de omstandigheden waaronder hij die moet uitvoeren kunnen tot RSI-klachten leiden. Een ongezonde manier van werken leidt tot spanningen in het lichaam, vooral in de uitvoerende extremiteiten. Dit is te zien en te meten aan de spierspanning in armen en nek en aan de ademhaling. De directe aanleiding voor de klachten is het ontbreken van rustmomenten in combinatie met ingespannen werkwijze. Hierdoor verkeert het lichaam in langdurige (statische) contractie. Men voelt het lichaam als het ware. Het lichaam geeft met signalen van stijfheid en vermoeidheid aan dat het werkgedrag niet echt gezond is.
Doemscenario´s
De klachten verhevigen vervolgens onder invloed van angst voor verergering van de klachten of voor het niet meer kunnen uitvoeren van het beroep en/of door het negeren van de pijnsignalen van het lichaam. De invloed van de doemscenario' s die er over RSI de ronde doen in de media en op internet moet daarbij niet onderschat worden. Deze kunnen aanleiding zijn tot escalatie van aanvankelijk beheersbare klachten en zorgen voor een negatief effect op de herstelverwachting. Door te stellen dat veertig procent van de beroepsbevolking met RSI te kampen heeft, heeft ontstaat al snel het idee dat RSI onvermijdelijk tot uitval leidt. Terwijl het pure stennisschopperij is om dit percentage zo hoog te stellen. De genoemde veertig procent is van toepassing op mensen die regelmatig hun armen of hun nek voelen bij het werk. Hier worden de begrippen RSI en RSI-achtige klachten in adem genoemd, erg verwarrend. Het is reëler om ervan uit te gaan dat drie tot vier procent van de beroepsbevolking daadwerkelijk RSI heeft. Dit percentage wordt ook bevestigd tijdens grootschalige afdelingsonderzoeken en getallen uit PAGO´s van bedrijfsartsen. Er is duidelijk een semantische verwarring gaande over de term RSI.
De patiënt centraal
Momenteel bestaan er tal van soms tegenstrijdige behandelingswijzen voor RSI-klachten. Sommige medici schrijven bijvoorbeeld rust voor, omdat het beter zou zijn om het lichaam niet verder te belasten. Anderen hameren er juist op dat de patiënt bezig moet blijven. Vaak ook krijgen patiënten massage of behandeling door een fysiotherapeut voorgeschreven. Ook belanden RSI-patiënten wel bij een neuroloog, die MRI' s maakt en zenuwonderzoek doet, overigens in veel gevallen zonder een oorzaak te vinden.
Op veel van de gangbare behandelwijzen is wat aan te merken. Een aanpak waarbij de patiënt alle werkzaamheden moet stilleggen bijvoorbeeld suggereert een grote ernst, wat het vertrouwen in herstel niet bevordert. Het tegenovergestelde het botweg ontkennen van RSI door een medicus zorgt veelal voor extra stress en dus voor meer klachten. Passieve behandelmethoden, zoals massages en manuele therapie, consolideren mensen met symptomen in hun klachten en leiden zelden tot succes. Meer rigoureuze interventies, zoals gips en operaties, geven slechts bij hoge uitzondering verbetering en praktisch nooit herstel.
De aanpak van RSI moet dan ook bij de mens zelf beginnen. Zonder een gerichte gedragsverandering is de kans op daadwerkelijk herstel bijzonder klein. Ongezond werkgedrag kan bijv. ontstaan vaak vanuit een grote gedrevenheid tot presteren en hoog gestelde ambities. Daarnaast vormen de neiging om zaken letterlijk en figuurlijk koste wat het koste in de hand te willen houden en een slechte balans tussen spanning en ontspanning vaak een aanleiding voor RSI. Dit gedrag kan ook blijven bestaan na een periode van rust. Om de patiënt te genezen is het zaak om dergelijk werkgedrag af te leren. Het blijkt dat veel mensen met klachten geen verschil kunnen voelen tussen lichamelijk gespannen of ontspannen werken. Het reduceren van spanning, zowel in spieren als bij de ademhaling, is daarom van groot belang. Wellicht verklaart dat ook dat psychologische begeleiding, haptonomie, bio/myofeedback en ademhalingsoefeningen beter scoren dan de passieve behandelmethoden. Overigens zal een gedragsverandering velen grote moeite kosten. Wie ooit is gestopt met roken of met te veel eten, kan daar over meepraten.
Ademhalingstechniek
Een goede aanpak kenmerkt zich door een snelle aanpak van de aanleiding van het probleem, door analyse en gericht advies. Dat betekent voor de één meer micropauzes en voor de ander een aangepaste ademhalingstechniek. De derde moet anders leren omgaan met werkstress, terwijl bij de vierde eerst een conflict met de direct leidinggevende moet worden opgelost. Ook dient aandacht uit te gaan naar zaken als de werkplek, de werkbeleving en de taken die iemand uitvoert. Het arbeidsklimaat, werkomgeving én sfeer, vormt een ander belangrijk aandachtspunt.
De aanpak begint met een probleemanalyse. Die wordt gemaakt aan de hand van gesprekken met de patiënt en door observatie. Bij dat laatste wordt tijdens het werk de spierspanning, fysieke rustmomenten en de ademhaling van de patiënt bekeken. Op deze manier wordt de hele werkbeleving in kaart gebracht. Onderzocht wordt:
· onder welke condities de werkzaamheden totstandkomen;
· wat de positieve en de negatieve aspecten van het werk zijn;
· of iemand tijdens het werk spontane rustmomenten inbouwt;
· hoe hij zijn klachten beleeft;
· wat daar tot nu toe aan/mee is gedaan;
· of iemand wel voldoende beweegt;
· hoe de algemene belastbaarheid is;
· of iemand het verschil voelt tussen spanning/ontspanning (en let wel: geen geval is het zelfde).
Handvatten
Vervolgens worden de bevindingen teruggekoppeld naar de patiënt met behulp van foto- of videomateriaal en zogenaamde myofeedback. Daarna krijgt de patiënt diverse handvatten aangereikt om zijn lichaam beter te belasten. Denk hierbij aan:
· pauzesoftware om rustmomenten te creëren;
· het afleren van slechte gewoonten bij het muizen; en
· het bespreekbaar maken van de werkbeleving (zie voor een voorbeeld de kadertekst).
Kans
RSI vormt een aanleiding om slecht werkgedrag tegen te gaan. Organisaties kunnen daarbij zelf een actieve rol spelen, bijvoorbeeld door vroegtijdig te reageren op klachten. Ook kunnen ze een preventief traject starten. Hierin krijgen medewerkers met risicogedrag feedback op hun manier van werken, zodat zij klachten voor kunnen zijn. Hoe sneller het vuur wordt gedoofd, hoe kleiner de schade zal zijn.
Case: zonder RSI weer aan het werk
Als voorbeeld van de in dit artikel geschetste aanpak schetsen we hier de reïntegratie van patiënt P. P. werkt aan een moeilijk project, waarvoor hij zo' n vier uur per dag achter het beeldscherm werkt. Het project verloopt niet goed, volgens P. omdat hij te weinig ondersteuning krijgt. P. is er de man niet naar om anderen met zijn problemen lastig te vallen. Die lost hij liever zelf op.
In eerste instantie krijgt P. klachten in nek en rechter arm tijdens het muizen. Later heeft hij er ook last van wanneer hij het toetsenbord gebruikt. Een werkplekonderzoek volgt, waarbij de boomlange P. een andere stoel wordt voorgeschreven. Ook krijgt hij het advies om voortaan met zijn linkerhand te muizen, om zo zijn rechterarm te ontlasten. Hij moet verder een concepthouder gaan gebruiken en beter rechtop zitten.
De klachten blijven echter. Tegelijkertijd dreigt het project te mislukken. Op een gegeven moment meldt P. zich ziek. Hij krijgt fysiotherapie, in de vorm van stroomtherapie, massage en oefeningen. Wanneer hij tijdens het ziekteverlof op vakantie gaat, blijven de klachten. Hij heeft daar regelmatig op onverklaarbare momenten last van, terwijl ze soms uitblijven op momenten waarop ze te verwachten zijn.
Er wordt een nieuwe probleemanalyse gemaakt. Hieruit blijkt dat:
a. de werkhouding die bij het eerdere werkplekonderzoek als slecht was benoemd geen reden tot opmerkingen geeft;
b. P. eigenlijk niet meer aan de PC durft te werken;
c. P. vergeet z n handen te laten rusten als hij niet bezig is;
d. hij zijn ademhaling vastzet tijdens het werken aan de PC; en
e. P. bang is dat hij RSI-klachten krijgt van het PC-gebruik.
Het advies luidt:
· dat P. zijn oude werkhouding weer aan moet nemen;
· hij thuis moet oefenen met het werken aan de PC, waarbij hij zich met behulp van pauzesoftware de rustmomenten (micro-breaks) moet aanleren.
· hij ademhalingsoefeningen moet doen en toe moet passen tijdens de rustmomenten.
Vervolgens wordt met de leidinggevende afgesproken dat P. voorlopig weinig gemaximeerd PC-werk zal verrichten. Daarnaast worden maatregelen bedacht om te voorkomen dat een situatie ontstaat waarin P. zich onvoldoende ondersteunt voelt. Vier weken later werkt P. al weer vier uur per dag en heeft hij nog maar weinig last van zijn klachten. Ofschoon hij zich nog niet helemaal zeker voelt, heeft hij wel het gevoel de controle over zijn werk terug te hebben.
Na onderzoek van de bestaande situatie en oriëntatie op het nieuwe ontwerp blijken er een aantal verbeterpunten mogelijk op het toch al goede ontwerp.
